Borstkankerzorg (polikliniek)

Hormonale therapie

Vrouwen met hormoongevoelige borstkanker die in aanmerking komen voor aanvullende behandeling krijgen, na de operatie en eventuele andere behandelingen, minimaal vijf jaar hormoontherapie. Deze behandeling is gericht op het uitschakelen van de vrouwelijke geslachtshormonen. Eigenlijk zou er dus beter gesproken kunnen worden van anti-hormoontherapie.

Waarom hormoontherapie?
Vrouwelijke geslachtshormonen, oestrogeen en progesteron, zijn onmisbaar voor het ontwikkelen en functioneren van de borsten. Deze hormonen worden voornamelijk in de eierstokken aangemaakt en voor een deel ook in onderhuids vetweefsel. De hormonen binden zich aan borstkliercellen via zogenaamde hormoonreceptoren. Deze zou u kunnen vergelijken met sloten, waar de hormonen als een sleutel precies in passen. Zo geven ze de kern van de cel een signaal om te gaan delen en te groeien. Dit is een normaal lichamelijk proces dat bij alle vrouwen plaatsvindt.

Borstkankercellen kunnen ook hormoonreceptoren hebben. We spreken dan van een hormoongevoelige tumor. In dat geval hechten oestrogeen en progesteron zich aan de hormoonreceptoren op de kankercellen en bevorderen ze de groei ervan.

Dat is niet bij alle vrouwen met borstkanker het geval. Van de vrouwen die nog menstrueren heeft ongeveer de helft een hormoongevoelige tumor. Bij vrouwen die de overgang hebben doorgemaakt is dat ongeveer driekwart. Bij een hormoongevoelige tumor is de behandeling gericht op het remmen van de hormoonproductie en / of het blokkeren van de effecten van de hormonen. Op die manier worden mogelijk achtergebleven tumorcellen buiten de borst opgeruimd.

Krijgen alle vrouwen met hormoongevoelige borstkanker dezelfde hormoontherapie?
Bij het toedienen van hormoontherapie wordt onderscheid gemaakt tussen twee groepen: vrouwen die nog menstrueren en vrouwen die de overgang al zijn gepasseerd (postmenopauzaal).

Als u tot de groep postmenopauzale vrouwen behoort, begint u meestal met  medicijnen die de werking van oestrogenen tegengaan. Een bekend middel is tamoxifen (Nolvadex®), dat zich hecht aan oestrogeenreceptoren. Hierdoor kan oestrogeen zich niet meer aan de tumorcel hechten en sterft de cel af.

Andere middelen zijn de aromataseremmers (Arimidex®, Aromasin®, Femara®). Deze middelen blokkeren de productie van oestrogenen in het vetweefsel van het lichaam, zodat er veel minder oestrogeen in het lichaam aanwezig is. De kans dat eventueel na de operatie achtergebleven tumorcellen alsnog gaan uitgroeien tot uitzaaiingen wordt hierdoor  aanzienlijk kleiner. Het is afhankelijk van verschillende factoren of er gekozen wordt voor alleen een aromataseremmer of dat er eerst gestart wordt met een aantal jaren tamoxifen en daarna pas met een aromataseremmer. Beide medicijnen zijn in tabletvorm en u kunt ze dus thuis innemen.

Bij vrouwen die de overgang nog niet zijn gepasseerd (premenopauzaal) kan de behandeling zich ook richten op het uitschakelen van de grootste oestrogeenbron: de eierstokken. Dit kan operatief door de eierstokken te verwijderen of door toediening van medicijnen. Deze medicijnen, de zogenaamde LHRH-analogen, gosereline (Zoladex®) of leuprolide (Eligard®, Lucrin®), worden in de buik gespoten via een onderhuidse injectie. Daarnaast krijgen deze vrouwen een behandeling met tamoxifen (of mogelijk in de naaste toekomst een aromataseremmer).

Hoe lang moet u de medicijnen gebruiken?
De standaardbehandeling is gebaseerd op vijf jaar medicijngebruik. Soms kan het zinvol zijn om langer dan vijf jaar deze medicijnen te gebruiken. Als dit ook voor u geldt zal uw arts dit met u bespreken. Om ervoor te zorgen dat de medicijnen optimaal werken, neemt u dus vijf jaar lang dagelijks een tablet in. Probeer het slikken van de tablet in uw dagelijkse routine in te bouwen. U heeft er dan meestal weinig hinder van en op die manier voorkomt u dat u de dagelijkse inname vergeet.

Bijwerkingen hormonale therapie
Bijwerkingen die kunnen voorkomen bij hormonale therapie zijn:

  • Lichte misselijkheid (vaak tijdelijk)
  • Toename van lichaamsgewicht
  • Overgangsklachten zoals opvliegers en minder zin in vrijen
  • Verminderde vochtproductie van de vagina, hierdoor pijn bij het vrijen, jeuk of vaginale afscheiding
  • Pijn en stijfheid in de gewrichten en/of spieren
  • Verandering van stemmingen
  • Sombere gevoelens
  • Hoofdpijn
  • Huidafwijkingen
  • Dunner wordend haar
  • Versnelde botontkalking (tamoxifen werkt daarentegen beschermend)
  • Trombose (neem bij een dik been/kuit en kortademigheid altijd contact op met de behandelend arts)
  • Vaginaal bloedverlies

Jongere vrouwen komen door de hormoontherapie vervroegd in de overgang; dit betekent dat hun vruchtbaarheid sterk vermindert. Dit laatste kan tijdelijk of blijvend zijn. Als u nog een kinderwens hebt is het goed dit in een vroeg stadium met uw arts te bespreken. U kunt dan, meestal nog voor de start van de behandelingen op korte termijn verwezen worden naar een fertiliteitspoli voor advies hierover.

U kunt bij de verpleegkundig consulenten oncologie chirurgie terecht met vragen over hormoontherapie. Zij kunnen u ook adviezen geven om de hinder door bijwerkingen zo veel mogelijk te beperken.

Stop nooit op eigen houtje met het gebruik van hormoontherapie, maar overleg altijd eerst met uw arts! Doe dit ook als u veel last van bijwerkingen krijgt.