Voorbereiding op uw opname / operatie

Informatie voor volwassenen

U heeft met uw behandelend specialist afgesproken dat u een operatie of een onderzoek krijgt. U wordt daarvoor een of meerdere dagen opgenomen in ons ziekenhuis. Deze opname vindt plaats op de dagverpleging, short-stay of een gewone afdeling.

Tijdens het bezoek aan de polikliniek heeft de spreekuurassistente een afspraak voor u gemaakt ter voorbereiding op uw opname. Eerst brengt u een bezoek aan het Apotheek Service Punt (ASP) en vervolgens krijgt u een zogenaamde ‘preoperatieve screening' op de polikliniek Anesthesiologie. U heeft een vragenlijst over uw gezondheid meegekregen. Vult u deze volledig in. De datum en het tijdstip van uw afspraak krijgt u mee van de spreekuurassistente. Deze afspraak duurt ongeveer 45 minuten en vindt een aantal dagen/weken voor de operatie plaats. U wordt aansluitend aan de screening niet op dezelfde dag geopereerd.

In deze folder leest u over uw bezoek aan het ASP en over de anesthesie (verdoving) die u tijdens de operatie of het onderzoek krijgt. Ook verschillende vormen van anesthesie en methoden van pijnbestrijding komen aan bod. Uw lichaam moet goed blijven functioneren tijdens de operatie. De anesthesioloog en de anesthesieassistent/verpleegkundige zorgen er samen voor dat uw lichaamsfuncties stabiel blijven. Zo kunt u de operatie zo goed mogelijk doorstaan. Met behulp van speciale apparatuur bewaakt en regelt de anesthesioloog onder andere de bloeddruk, hartslag en ademhaling. Zo nodig kan hij/zij op ieder moment de anesthesie bijsturen.

Deze informatie is bedoeld als aanvulling op het gesprek met het ASP en de anesthesioloog. Als u nog vragen heeft, kunt u deze opschrijven en bespreken op onze polikliniek.

Uw bezoek aan het Apotheek Service Punt (ASP)
Het is belangrijk dat uw artsen precies weten welke medicijnen u gebruikt. Ook als u geen medicijnen gebruikt, moet de arts dit weten. Van tevoren vragen wij uw medicatiegegevens op bij uw eigen apotheek en/of huisarts. Heeft u hier bezwaar tegen, meld dit dan. Wilt u de doosjes meenemen van alle medicijnen die u gebruikt? Denkt u ook aan medicijnen en homeopathische middelen die u zelf bij de drogist heeft gekocht.

In het ASP (Apotheek Service Punt) neemt een apothekersassistent met u door welke medicijnen u gebruikt. Met deze gegevens wordt een ‘medicatieprofiel’ opgesteld. Aan de hand van uw medicatieprofiel bepaalt uw behandelend arts welke medicijnen u krijgt tijdens uw verblijf in het ziekenhuis. Na ontslag uit het ziekenhuis, stelt het ASP uzelf, uw huisarts en uw apotheek op de hoogte van uw medicatie en eventuele veranderingen.

Spreekt u geen of slecht Nederlands? Neemt u dan iemand mee die voor u kan spreken. If you don't speak Dutch, you should bring someone to your appointment who can speak for you.

Contactgegevens
Apotheek Service Punt
Volgt u in het ziekenhuis route 45. Telefoon: (0512) 588 782

Polikliniek Anesthesiologie
Volgt u in het ziekenhuis route 45. Telefoon: (0512) 588 380

Nadat uw medicijngebruik door het ASP in kaart is gebracht, krijgt u een preoperatieve screening.

Preoperatieve screening
Als u (of uw kind) geopereerd moet worden, komt u op de polikliniek Anesthesiologie. Meestal gebeurt dit ruim voor de operatie (als het gaat om een spoedgeval ziet u de anesthesioloog kort voor de operatie). U meldt zich bij de spreekuurassistente met uw patiëntenpas, de ingevulde vragenlijst en dit boekje.

Als u ouder bent dan 50 jaar, wordt op de Functieafdeling van tevoren ook een ECG (hartfilmpje) gemaakt. Op een ECG wordt geregistreerd hoe de elektrische puls zich door uw hart verspreidt. Het doel van het maken van een ECG is om te kunnen beoordelen of er misschien bijzonderheden zijn aan uw hart.

Uw ECG wordt beoordeeld door de cardioloog. Als uw ECG niet helemaal normaal is, dan hoeft dit nog niet te betekenen dat er iets mis is met uw hart. Wel kan het zijn dat er met u een afspraak gemaakt wordt op de polikliniek cardiologie voor verder onderzoek. Vaak wordt er dan ook een echocardiogram gemaakt.

Er zijn veel dingen die bepalen hoe uw ECG eruit ziet. We willen nogmaals benadrukken dat er niets mis hoeft te zijn met uw hart als uw ECG niet helemaal normaal is. Verder onderzoek kan wel nodig zijn.

Houdt u er rekening mee dat geplande afspraken op het preoperatieve spreekuur en/of de geplande operatie uitgesteld kunnen worden in verband met aanvullend cardiologisch onderzoek.

 Elektrische puls op een ECG

Op de polikliniek  Anesthesie spreekt u vervolgens de verpleegkundige en de anesthesioloog. De verpleegkundige bespreekt met u de gang van zaken rondom de opname op de afdeling en de benodigde voorbereidingen. Hierbij komen zaken aan bod als laxeren, ontharen, het gebruik van medicatie bij bijvoorbeeld suikerziekte en uw thuissituatie.

Daarnaast spreekt u tijdens het preoperatieve gesprek de anesthesioloog of de physican assistant (een speciaal daarvoor opgeleide anesthesieassistent). De anesthesioloog is een arts/medisch specialist die zich heeft gespecialiseerd in de verschillende vormen van anesthesie, pijnbestrijding en verdere zorg rondom de operatie. De anesthesioloog of physican assistant kijkt of alle onderzoeken die voor een operatie gedaan moeten worden ook werkelijk gedaan zijn.

De anesthesioloog
Tijdens het preoperatieve gesprek krijgt u (of uw kind) mogelijk een kort lichamelijk onderzoek. Daarnaast stelt de anesthesioloog aan de hand van de door u ingevulde lijst vragen over uw gezondheid, medicijngebruik en allergieën. U kunt ook vragen verwachten over eerdere operaties en hoe u toen op de anesthesie reageerde. Zo krijgt de anesthesioloog een indruk van uw gezondheidstoestand. Dit kan invloed hebben op de vorm van anesthesie die voor u het meest geschikt is. Uw eigen wensen kunt u voorleggen aan de anesthesioloog. Die houdt hier rekening mee bij de beslissing over het soort anesthesie. Als daartoe aanleiding is, laat de anesthesioloog extra onderzoek uitvoeren. Als het nodig is, verwijst hij/zij u door naar een internist, cardioloog of longarts.

 

Op de afdeling Anesthesiologie werken tien anesthesiologen. Naast deze anesthesiologen kan het zijn dat u te maken krijgt met een anesthesioloog in opleiding. Deze anesthesioloog in opleiding voert een deel van de taken zelfstandig uit, een ander deel zal onder begeleiding van een anesthesioloog zijn. 
De kans dat u daadwerkelijk anesthesie krijgt van degene die u op de polikliniek heeft gesproken, is klein. U maakt op de operatiedag kennis met de anesthesioloog die verantwoordelijk is voor uw anesthesie. De anesthesioloog die u anesthesie geeft, houdt zich aan gemaakte afspraken over de te volgen anesthesietechniek. Tenzij er veranderingen in uw gezondheid zijn opgetreden, de voorgenomen operatie veranderd is of de anesthesioloog ervan overtuigd is dat een andere anesthesietechniek voor u veiliger is. De behandelend anesthesioloog bespreekt dit eerst met u.

Anesthesie
Anesthesie is de verzamelnaam van alle soorten verdoving voor operaties. Het betekent ‘gevoelloosheid’. Maar in de praktijk is anesthesie meer dan alleen de verdoving. Het doel van de anesthesie is om u in een zo goed mogelijke conditie te houden tijdens de operatie. Er bestaan verschillende soorten anesthesie of verdoving:

  1. De meest bekende is de algehele anesthesie of narcose, waarbij het hele lichaam wordt verdoofd en u tijdelijk buiten bewustzijn bent.
  2. Bij een regionale anesthesie (verdoving) wordt een groter gedeelte van het lichaam, zoals een arm of het hele onderlichaam, tijdelijk gevoelloos gemaakt. U blijft dan tijdens de operatie wakker. Maar als u liever niets merkt, kunt u een licht slaapmiddel krijgen. Overigens ziet u niets van de operatie, alles wordt met doeken afgedekt.
  3. Bij een lokale anesthesie (verdoving) wordt alleen de plaats van de operatie gevoelloos gemaakt door inspuiten van een verdovend middel. Deze vorm van verdoving is vooral geschikt voor kleinere ingrepen en wordt veel toegepast bij oogoperaties, in het bijzonder de staaroperaties.
     

Welke anesthesie voor u het meest geschikt is, hangt af van verschillende factoren zoals leeftijd, lichamelijke conditie en het soort operatie.

Voorbereiding op anesthesie en de operatie
De operatie kan alleen plaats vinden als u nuchter (= geen eten en drinken in de maag) bent. Dit om braken tijdens en na de operatie te voorkomen. Braken tijdens de operatie kan gevaarlijk zijn omdat vocht en voedselresten dan in de luchtwegen kunnen komen. Ook als met u een regionale verdoving is afgesproken, moet u nuchter zijn. De regels voor het nuchter zijn leest u verderop in deze folder. Het is belangrijk dat u deze nauwgezet opvolgt. Helaas komt het nog voor dat mensen meer eten en drinken vóór een operatie dan is toegestaan. De risico’s daarvan zijn echter zo groot dat in dergelijke gevallen een operatie afgezegd moet worden, met alle vervelende gevolgen van dien. Een slokje water om de medicijnen in te nemen of bij het tanden poetsen is wel toegestaan. Heeft u een verhoogd risico op misselijkheid en braken na de operatie, dan kan de anesthesioloog u een middel voorschrijven om dit te helpen voorkomen.

Vrouwen die de anticonceptiepil slikken, kunnen deze gewoon blijven gebruiken. Na de operatie kunt u echter gedurende de rest van de cyclus niet meer rekenen op volledige bescherming.

Het is verstandig om op de dag van de operatie niet te roken. De ademhalingswegen van rokers zijn vaak geïrriteerd en daardoor gevoeliger voor ontstekingen. Bovendien kan hoesten na de operatie erg pijnlijk zijn. Wie vier tot acht weken voor een operatie stopt met roken heeft tot 50% minder kans op postoperatieve complicaties. Roken heeft een negatief effect op het afweersysteem, op de wondgenezing en de botheling. Wilt u informatie over en/of hulp bij stoppen met roken, dan kunt u kijken op www.rokeninfo.nl of www.kwaliteitsregisterstopmetroken.nl.

Als u de dagen voor de operatie verkouden bent, hoest, koorts heeft of door een andere oorzaak niet op de opnamedag kunt komen,  geef dit dan zo snel mogelijk door. In uw plaats kan iemand anders geholpen worden.

Neemt u op de dag van de opname in ieder geval uw medicijnen mee in de originele verpakking, deze folder en uw patiëntenpas.

Soms moet u zich ontharen of wordt u geschoren op de plaats waar u geopereerd wordt.

In plaats van een pyjama krijgt u een operatiehemd aan. Voor de operatie moet u sieraden zoals een horloge, armbanden, ringen en piercings afdoen. Het is verstandig uw sieraden thuis te laten of aan iemand in bewaring te geven. Op de afdeling is hier geen afsluitbare opbergmogelijkheid voor. U mag geen make-up, dagcrème of bodylotion dragen. Het is voor de anesthesist belangrijk om goed te zien hoe het met u gaat. Door make-up kunt u er beter uitzien dan u zich in werkelijkheid voelt. Tijdens een operatie moeten soms plakkers op uw huid geplakt worden om bepaalde lichaamsfuncties goed te kunnen meten. Door crèmes en lotions blijven plakkers niet goed zitten. Ook mag u geen nagellak op hebben of kunstnagels dragen. Uw bril, lenzen en gebitsprothese moet u in het algemeen op de afdeling achterlaten.

Als voorbereiding op de anesthesie krijgt u meestal pijnstillers en een rustgevend tabletje. U kunt hier wat slaperig van worden. De verpleegkundige brengt u met uw bed naar de voorbereiding op de operatieafdeling. In deze ruimte bevinden zich vaak meerdere patiënten die een operatie moeten ondergaan. De bewakingsapparatuur wordt aangesloten. U krijgt plakkers op de borst om uw hartslag te meten en een klemmetje om een vinger om het zuurstofgehalte in het bloed te controleren. De bloeddruk wordt aan de arm gemeten en een naald wordt in de arm ingebracht waarvan alleen het plastic omhulsel achterblijft. Hierop wordt soms een infuus aangesloten. Daarna ziet u de anesthesioloog en diens assistent, u wordt met de operatietafel naar de operatiekamer gereden.

Narcose of algehele anesthesie
De middelen voor de algehele narcose worden via het ingebrachte naaldje ingespoten. U valt dan snel in een diepe slaap. Om de ademhaling tijdens de anesthesie te kunnen controleren wordt vaak, voordat de operatie begint, een buisje in de keel gebracht. U merkt daar niets van want u bent dan onder narcose.

Tijdens de operatie blijft de anesthesioloog of diens assistent steeds bij u. De anesthesioloog bewaakt en bestuurt tijdens de operatie de functies van uw lichaam. Dankzij de bewakingsapparatuur kan precies worden vastgesteld hoe uw lichaam op de operatie reageert.

Er worden medicijnen gegeven om de narcose te onderhouden. Uw ademhaling en de bloedsomloop kunnen zo nodig bijgestuurd worden. De diepte van de slaap kan gemeten worden zodat de kans op 'awareness' (wakker worden tijdens de operatie) zo klein mogelijk is. Algehele narcose wordt altijd op maat gegeven.

Na de narcose
Nadat u bent bijgekomen uit een narcose kunt u zich nog wat slaperig voelen. Het is mogelijk dat er een slangetje door uw neus loopt om uw maag te ontlasten of om u wat extra zuurstof te geven. Als de anesthesie is uitgewerkt kunt u pijn gaan voelen. Ook kunt u misselijk zijn en moet u soms braken. De verpleegkundigen hebben middelen tegen pijn en misselijkheid. Vraagt u er gerust om.

Heeft u een zwaar of kriebelig gevoel achter in uw keel, dan komt dat van het buisje dat tijdens de operatie in uw keel zat om de ademhaling te regelen. Die irritatie verdwijnt vanzelf binnen een aantal dagen. Veel mensen hebben dorst na een operatie. Als u wat mag drinken, doe dan voorzichtig aan. Mag u niet drinken, dan kan de verpleegkundige uw lippen nat maken om de ergste dorst weg te nemen.

Het kan zijn dat u wordt opgenomen op de Intensive Care (IC) als u op de dag van de operatie of langer meer bewaking en/of behandeling nodig heeft dan de verpleegafdeling kan geven. Dit kan zijn na een grote operatie of als uw lichamelijke conditie hiertoe aanleiding geeft. Zo mogelijk wordt dit voor de operatie met u besproken. Maar ook tijdens de operatie kunnen zich omstandigheden voordoen die opname op de IC noodzakelijk maken. U kunt op de IC wel bezoek ontvangen.

 

Complicaties bij narcose
Een algehele anesthesie is tegenwoordig bijzonder veilig door verbetering van de bewakingsapparatuur, moderne geneesmiddelen en een goede opleiding van de anesthesioloog en diens medewerkers.

Ondanks alle voorzorgen en zorgvuldigheid zijn complicaties niet altijd te voorkomen. De belangrijkste risico’s bij anesthesie zijn:

  • Overgevoeligheidsreacties op de toegediende medicijnen.
  • Beschadiging van het gebit bij het inbrengen en uithalen van het beademingsbuisje.
  • Beklemming van een zenuw door een ongelukkige houding tijdens de operatie waardoor tintelingen en krachtsverlies kunnen ontstaan. Meestal verdwijnen deze klachten spontaan.
     

Ernstige complicaties door de anesthesie zijn vrijwel altijd te wijten aan een calamiteit of hangen samen met uw gezondheidstoestand voor de operatie. Vraag uw anesthesioloog voor de operatie gerust of de anesthesie voor u bijzondere risico’s met zich meebrengt.

Regionale anesthesie
Bij een regionale anesthesie (verdoving) wordt een gedeelte van het lichaam - bijvoorbeeld een arm of het gehele onderlichaam - tijdelijk gevoelloos en bewegingloos gemaakt. Door een verdovingsmiddel rond een zenuw te spuiten kunnen zenuwen of zenuwbanen tijdelijk worden uitgeschakeld, zodat u geen pijn voelt.

Een arm kan ook worden verdoofd door de zenuwknoop die naar de arm loopt tijdelijk uit te schakelen. Dit gebeurt door rond de zenuwen een verdovingsmiddel in te spuiten, bijvoorbeeld in de oksel of in de hals.

Bij regionale verdoving worden de zenuwen die op de pijn reageren zo volledig mogelijk uitgeschakeld. Het gevoel verdwijnt soms niet helemaal. Het is normaal als u voelt dat u wordt aangeraakt of dat u nog wat kunt bewegen. Als de verdoving volledig is uitgewerkt, heeft u weer de normale kracht en beheersing over de spieren.

De ruggenprik
In de rug lopen vanuit het ruggenmerg grote zenuwen naar het onderlichaam en benen. Deze zenuwbanen worden met een ruggenprik verdoofd. Die prik is niet pijnlijker dan een gewone injectie. De kans op beschadiging van het ruggenmerg is te verwaarlozen, de naald komt daar namelijk niet in de buurt. Er zijn twee methoden voor de ruggenprik: spinaal of epiduraal.

Spinaal
Een spinale verdoving gebruiken we vaak bij operaties aan de onderste helft van het lichaam, zoals operaties aan prostaat, liesbreuk, heup of knie.

Bij een spinale verdoving wordt het medicijn in de ruimte gespoten waar het ruggenmergvocht zit. Dit werkt snel en sterk. Als de verdoving is ingespoten, merkt u eerst dat uw benen warm worden en gaan tintelen. Later worden ze gevoelloos en slap. U blijft bij bewustzijn. Van de operatie ziet u niets; alles wordt afgedekt met doeken. Als u toch liever slaapt, dan kunt u om een licht slaapmiddel vragen. U kunt tijdens de operatie naar muziek luisteren op bijvoorbeeld een Mp3-speler of iPod. Deze moet u dan zelf meenemen.

Epiduraal
Een epidurale verdoving gebruiken we soms als aanvulling op de algehele narcose bij grote buik-, long- of vaatoperaties.

Bij een epidurale verdoving komt het medicijn niet zo diep, waardoor het langzamer inwerkt. Het prikken gebeurt terwijl u uw rug voorover buigt. De huid wordt verdoofd, vervolgens wordt met een speciale naald de epidurale ruimte opgezocht en wordt een slangetje ingebracht. Als de katheter op de goede plaats zit, wordt de naald verwijderd. Het is erg belangrijk om tijdens het prikken goed stil te zitten. U kunt gewoon op het slangetje liggen. Via dit slangetje kan tijdens maar ook na de operatie pijnstilling worden gegeven.

Bijwerkingen van spinaal

  • Onvoldoende pijnstilling
    Het kan voorkomen dat de verdoving bij u onvoldoende werkt. Soms kan de anesthesioloog nog wat extra verdoving bijgeven. In andere gevallen is het beter om voor een andere anesthesievorm te kiezen, bijvoorbeeld algehele narcose. De anesthesioloog overlegt dat met u.
  • Lage bloeddruk
    Als bijwerking kan een lage bloeddruk optreden. De anesthesioloog is hierop bedacht en neemt zo nodig maatregelen.
  • Hoge uitbreiding van de verdoving
    Soms komt het voor dat het verdoofde gebied zich wat verder naar boven uitbreidt. U merkt dat doordat uw handen gaan tintelen. Misschien kunt u wat moeilijker ademen. Dit is ongevaarlijk, de anesthesioloog geeft u wat extra zuurstof. Meestal zijn de klachten daarmee opgelost.
     

Na de operatie
Om bij te komen van de ruggenprik wordt u naar een verkoever- of uitslaapkamer gebracht. Gespecialiseerde verpleegkundigen zien erop toe dat u rustig bijkomt van de operatie. De verdoving zal hier langzaam uitwerken. De beweging komt het eerste terug; het gevoel het laatst. Afhankelijk van het gebruikte medicijn kan het drie tot zes uur duren voordat de verdoving volledig is uitgewerkt. Daarbij kan pijn optreden. Wacht niet te lang met het vragen om een pijnstiller aan de verpleegkundige. Hoewel minder vaak dan bij een narcose komt misselijkheid na een operatie onder regionale of plaatselijke verdoving wel voor. Vraag gerust om een middel daartegen.

Als u in dagbehandeling geopereerd wordt, mag u pas weer naar huis wanneer u zelf kunt lopen en plassen.

Complicaties
Ondanks alle zorgvuldigheid zijn complicaties bij regionale anesthesie niet altijd te voorkomen. Ernstige complicaties zijn gelukkig uiterst zeldzaam.

Rugpijn  
Het komt voor dat er rugpijn ontstaat op de plaats waar de prik is gegeven. Dit heeft vaak te maken met de houding tijdens de operatie en de kleine bloedinkjes in het bindweefsel. De klachten verdwijnen meestal vanzelf.

Hoofdpijn
Na een ruggenprik kunt u hoofdpijn krijgen. Deze hoofdpijn onderscheidt zich van 'gewone' hoofdpijn doordat de pijn minder wordt bij platliggen en juist erger wordt bij overeind komen. Meestal verdwijnt deze hoofdpijn binnen een week vanzelf. Als de klachten zo hevig zijn dat u in bed moet blijven, neem dan contact op met de anesthesioloog. Deze heeft mogelijkheden om het natuurlijk herstel te versnellen.

Kortdurend moeilijkheden met plassen
De verdoving strekt zich uit tot de blaas. Het plassen kan daardoor de eerste uren na de ruggenprik moeilijker gaan dan normaal. Het kan nodig zijn de blaas met een katheter leeg te maken.

Als u de operatie met een ruggenprik ondergaan heeft en na thuiskomst merkt dat u weer spierzwakte in de benen krijgt of dat gedeelten van uw benen opnieuw gevoelloos worden, neem dan direct contact op met de anesthesioloog.

Regionale anesthesie van de arm
Een arm kan worden verdoofd door de zenuwknoop (de plexus) die naar de arm loopt tijdelijk uit te schakelen. Dit gebeurt door rond de zenuwen een verdovingsmiddel te spuiten. Bijvoorbeeld in de oksel of in de hals, afhankelijk van de plaats waar u geopereerd wordt. De anesthesioloog prikt met een naald op de plaats waar zenuwen lopen die naar de arm gaan. Hij/zij gebruikt daarbij een echo-apparaat om de juiste plek zo precies mogelijk te bepalen. Met behulp van een ‘zenuwprikkelaar’ wordt de zenuw geprikkeld. Als u tintelingen in de arm of de hand voelt, moet u niet bewegen maar het direct zeggen. De anesthesioloog weet dan dat de naald op de goede plaats zit. U kunt ook merken dat de arm of de hand onwillekeurig beweegt.

Als de naald op de goede plaats zit, spuit de anesthesioloog het verdovende middel in. De verdoving moet een kwartier tot een half uur inwerken voordat het effect optimaal is. Op een gegeven moment merkt u dat uw arm of hand gaat tintelen en warm wordt. Later wordt de arm gevoelloos en meestal kunt u de arm en de hand niet meer bewegen. Als de verdoving is uitgewerkt kunt u weer bewegen en keert het gevoel weer terug. Dit kan wel twaalf uur duren. U moet de eerste dag extra voorzichtig zijn met de arm, omdat het gevoel soms nog niet helemaal is teruggekeerd. U kunt de arm eventueel in een draagdoek dragen.

Bierse verdoving
Soms wordt de arm verdoofd door het verdovingsmiddel in een bloedvat van de arm te spuiten. U krijgt dan een strakke zwachtel en knellende band om de arm. Zo wordt het bloed zoveel mogelijk uit de arm geduwd. Als het verdovingsmiddel is ingespoten, gaat uw arm eerst tintelen en wordt vervolgens gevoelloos. Om u tijdens de operatie zo nodig medicijnen te kunnen toedienen krijgt u een infuusnaald in de arm die niet geopereerd wordt. Tijdens de operatie blijft u wakker, maar u kunt om een slaapmiddel vragen als u dat liever hebt. De verdoving werkt snel na de ingreep uit.

Na de operatie
Na de operatie wordt u naar de uitslaapkamer gebracht. Met het uitwerken van de verdoving kan ook pijn optreden. Wacht niet te lang de verpleegkundige om een pijnstiller te vragen. Na een regionale anesthesie van de arm hoeft u niet altijd in het ziekenhuis te blijven totdat de verdoving is uitgewerkt. Dat hangt af van de operatie die bij u is verricht. Zolang de arm verdoofd is, moet u hem in een draagdoek houden.

Complicaties
Ondanks alle zorgvuldigheid zijn complicaties niet altijd te voorkomen:

Onvoldoende pijnstilling
Het kan voorkomen dat de verdoving bij u onvoldoende werkt. Soms kan de anesthesioloog nog wat extra verdoving bijgeven. In andere gevallen is het beter om voor een andere anesthesievorm te kiezen, bijvoorbeeld algehele anesthesie. De anesthesioloog overlegt dat met u.

Pneumothorax of klaplong
Bij een injectie rond het sleutelbeen kan het longvlies worden aangeprikt, waardoor een zogenaamde klaplong ontstaat. In dat geval wordt u plotseling benauwd. Een klaplong moet behandeld worden in het ziekenhuis. Met een slangetje wordt gedurende een aantal dagen lucht uit de borstholte gezogen. Bij een prik in de hals of de oksel komt een klaplong vrijwel nooit voor.

Post-operatieve tintelingen  
Door irritatie van de zenuwen, door de prik of door de gebruikte medicijn, kunt u - nadat de verdoving is uitgewerkt - nog enige tijd last houden van tintelingen in de arm en de hand. Deze tintelingen verdwijnen in de meeste gevallen in de loop van weken tot maanden vanzelf.

Overgevoeligheidsreactie
U kunt overgevoelig zijn voor de gebruikte verdovingsmiddelen. Dit kan klachten veroorzaken als benauwdheid, huiduitslag en een lage bloeddruk. Meestal zijn deze overgevoeligheidsreacties goed te behandelen met medicijnen.

Toxische reacties
De zenuwen die verdoofd moeten worden lopen vlakbij de grote bloedvaten. Het is mogelijk dat een deel van het verdovende medicijn direct in de bloedbaan komt. Dit veroorzaakt een metaalachtige smaak, tintelingen rond de mond, een slaperig gevoel, hartritmestoornissen, trekkingen en uiteindelijk bewusteloosheid. Bij onmiddellijke behandeling zijn deze verschijnselen niet direct levensbedreigend en goed te behandelen.

Verdoving van het oog
Verdoving van het oog kan door een prik of druppels. Voor beide verdovingen geldt dat u voor de operatie licht mag eten. U mag, tenzij dat anders met u is afgesproken, uw eigen medicijnen innemen.

Oogbolverdoving met een druppel
Dit is de meest voorkomende vorm van verdoving bij operaties aan het oog. Bij deze vorm van verdoving zijn de oogspieren niet verdoofd. U moet dus tijdens de operatie het oog zelf stil houden door de aanwijzingen van de oogarts te volgen.

Oogbolverdoving met een prik
Soms wordt in plaats van een verdoving met druppels een kleine prik onder het oog (niet in het oog) gegeven. Deze prik is gevoelig maar niet erg pijnlijk. De oogspieren en oogzenuw worden hierbij enige uren uitgeschakeld: u kunt de eerste uren niets zien met het oog. Hoewel uiterst zeldzaam, is bloeding een complicatie van deze vorm van verdoving.

Lokale verdoving
Soms geeft de anesthesioloog lokale verdoving als aanvulling op een van de andere vormen van anesthesie.

Pijn en pijnbestrijding na de operatie

Het is belangrijk dat u na de operatie zo weinig mogelijk pijn heeft. Een goede pijnbestrijding kan uw herstel bespoedigen. Houd daarom de verpleegkundige op de hoogte van uw pijn. Zodra u na de operatie goed wakker bent, wordt u gevraagd hoe het met de pijn is. Afhankelijk van de pijn krijgt u pijnmedicatie. Voordat u teruggaat naar de verpleegafdeling moet u tevreden zijn over uw pijnmedicatie. Na de operatie krijgt u op vaste tijden pijnstilling. Wij geven deze pijnstillers op vaste tijden om de pijn zoveel mogelijk te beperken. Het is dus heel belangrijk dat u deze medicijnen op de voorgeschreven tijden inneemt, ook al vindt u dat de pijn meevalt. Het vormt de basis voor een goede pijnbehandeling.

Epiduraal-katheter of PCA-pomp
De pijnbestrijding kan als dat met u afgesproken is naast pijnstillers ook bestaan uit een epiduraal katheter of een PCA pomp. PCA staat voor Patiënt Controlled Analgesia, oftewel Patiënt gecontroleerde pijnstilling. Voor de operatie krijgt u een infuus. Hierop wordt na de operatie een PCA-pomp aangesloten die is voorzien van een drukknop. U kunt met de drukknop de pijnstilling zelf regelen. De dosering is zo berekend, dat u zichzelf onmogelijk teveel toe kunt dienen. Met een epiduraal of een PCA-pomp mag u de verpleegafdeling niet verlaten.

Pijnmeetlat
De aan u voorgeschreven pijnstillers worden afhankelijk van de operatie voor een of meerdere dagen voorgeschreven. Gedurende deze periode moet u ook aangeven wat het effect is van de pijnbestrijding in de vorm van een cijfer: de pijnscore. Deze score wordt verkregen door middel van een speciale meetlat. U geeft op de lijn van 0-10 aan, hoe erg de pijn is. Nul is geen pijn en tien is de ergst mogelijke pijn. Door middel van deze score krijgt de verpleegkundige een beeld van uw pijnbeleving.

Pijnmeetlat
Pijnmeetlat

Pijn mag geen belemmering zijn voor doorademen, ophoesten en bewegen! Hoe langer u wacht met het melden van pijn, hoe moeilijker het is de pijn te bestrijden.

Pijnbestrijding thuis
In sommige gevallen krijgt u na een operatie een dagbehandeling pijnstillers mee naar huis. Deze zijn voorgeschreven door de anesthesioloog. U mag deze medicijnen innemen, maar het hoeft niet. Bij uw ontslag uit het ziekenhuis krijgt u hierover informatie mee.

Acute Pijn Service
De Acute Pijn Service (APS) bestaat uit gespecialiseerde assistenten. Zij bezoeken dagelijks de patiënten op de verpleegafdelingen die een PCA-pomp of een epiduraal katheter hebben. Zij vormen een directe schakel tussen u, de verpleegkundige en de anesthesioloog. Zij bekijken uw pijnscore en pijnmedicatie. Zij spreken, zo nodig in overleg met de anesthesioloog, wijzigingen in uw pijnmedicatie af.

Tot slot

  • Na de operatie mag u de eerste 24 uur geen voertuigen besturen en ook niet fietsen. Dit betekent dat u vervoer moet regelen om van het ziekenhuis naar huis te komen.
  • Wij adviseren u ervoor te zorgen dat er thuis de eerste 24 uur opvang aanwezig is.
  • Ook het werken met machines (boor-, zaagmachines, etc.) is gedurende de eerste 24 uur niet toegestaan.
  • Wij raden u af om in die periode belangrijke beslissingen te nemen.
  • U mag geen alcohol of drugs gebruiken gedurende de eerste 24 uur na de operatie.
     

Het is heel gewoon dat u zich na de operatie nog een tijd niet fit voelt. Dat ligt niet alleen aan de anesthesie, maar aan de ingrijpende gebeurtenis die iedere operatie nou eenmaal is. Het lichaam moet in zijn eigen tijd herstellen.

Als u na de operatie of het onderzoek thuis problemen heeft of u heeft nog vragen over de anesthesie, neem dan contact op met de polikliniek Anesthesiologie of de dienstdoende anesthesioloog. Wij hopen dat u na afloop van uw behandeling tevreden bent over de behandeling door de artsen van de afdeling anesthesiologie. Heeft u suggesties ter verbetering van de zorg die u kreeg of over de inhoud van deze folder, dan horen wij dat graag van u.

 Borstvoeding en anesthesie
Het advies om de eerste 24 uur na de operatie de borstvoeding af te kolven en deze niet aan de baby te geven lijkt onnodig. Medicijnen zijn in de bloedbaan aan eiwitten gebonden, waardoor de moedermelkconcentratie al een stuk lager ligt dan de bloedconcentratie bij de moeder. Tijdens de passage door het maagdarmkanaal van het kind neemt de concentratie nog verder af, zodat de uiteindelijke bloedconcentratie bij het kind meestal vele malen lager is als bij de moeder. Medicijnen zijn veilig wanneer het medicijnen betreft die gebruikt worden voor lokale of regionale verdoving. Medicijnen voor algehele anesthesie komen (zoals alle medicijnen) slechts in piepkleine hoeveelheden in de melk en het is zeer onwaarschijnlijk dat ze enig effect op je baby hebben. Ze hebben meestal een zeer korte halfwaardetijd en worden bijzonder snel uit je lichaam verwijderd. Je kunt zodra je wakker bent en je ertoe in staat voelt borstvoeding geven. Voor meer info over geneesmiddelgebruik en zwangerschap verwijzen wij u naar http://www.borstvoeding.com/problemen/medicijnen/2010-nl.html.

Regels voor het nuchter zijn bij volwassenen

Meldingstijd voor 12.00 uur: ochtendprogramma
Laatste vaste voedsel: tot 24.00 uur de dag voor de operatie.
Laatste heldere vocht: tot 2 uur voor de meldingstijd (als u zich om 9.00 uur moet melden dan mag u tot 7.00 uur nog 1 glas helder vloeibaar drinken).

Meldingstijd na 12.00 uur: middagprogramma
Laatste vaste voedsel: licht ontbijt tot 7.30 uur op de dag van de ingreep.
Laatste heldere vocht: tot 2 uur voor de meldingstijd. Als u zich om 13.30 moet melden dan mag u tot 11.30.uur nog 1 glas helder vloeibaar drinken.

Helder vloeibaar = water, limonade, appelsap of thee
Geen melkproducten of koffie/thee met melk.

Licht ontbijt = 1 glas helder vloeibaar (zie hierboven), 1 beschuit of droge naturel cracker met wat jam.
Geen kaas, vleeswaren, boter of andere smeerbare producten.

U mag uw medicijnen met een klein slokje water innemen.

Anesthesie bij kinderen

Binnenkort ondergaat uw kind een operatie waarbij verdoving (anesthesie) nodig is. De arts die deze verdoving verzorgt is de anesthesioloog. Een anesthesioloog doet meer dan het toedienen van de verdoving. Hij waakt voortdurend over de lichamelijke toestand van uw kind tijdens de operatie en bestrijdt pijn en eventuele andere ongemakken die zich na de operatie kunnen voordoen. Voor algemene informatie kunt u ook het gedeelte over anesthesie voor volwassenen bekijken.

Verschillende soorten anesthesie
Er zijn verschillende soorten anesthesie. De meest bekende vorm is de algehele anesthesie. Uw kind is hierbij tijdelijk buiten bewustzijn (onder narcose). Bij een plaatselijke of regionale anesthesie maakt de anesthesioloog alleen een bepaald gedeelte van het lichaam gevoelloos. Tijdens deze anesthesie kan uw kind eventueel wakker blijven. Maar omdat deze vorm van anesthesie voor kinderen vaak beangstigend is wordt deze methode bij kinderen bijna niet toegepast. Wel kan eventueel regionale anesthesie gegeven worden als uw kind al onder narcose is.

Onder narcose brengen
Ongeveer een uur tot een half uur voor de operatie krijgt uw kind een zetpil paracetamol. Kleine kinderen zijn vaak bang voor een prikje. Zij worden daarom meestal in slaap gemaakt door ze via een kapje te laten ademen, waaruit een narcosegas stroomt. Daarnaast is het ook mogelijk de huid van tevoren te verdoven met een zalf. Hierdoor wordt het prikje nauwelijks gevoeld.

Bij de meeste operaties mag uw kind kiezen tussen een kapje of een prikje. Bij sommige operatie zoals amandelen knippen moet uw kind met een kapje in slaap worden gebracht. Als uw kind met een kapje onder narcose gebracht wordt, krijgt uw kind - als het in slaap is en afhankelijk van het soort operatie – vaak nog een infuusnaald om tijdens de operatie zo nodig medicijnen te kunnen toedienen.

Bij de inleiding aanwezig zijn
Een operatie is een ingrijpende gebeurtenis. In ons ziekenhuis is het zo geregeld dat een van beide ouders in principe (ook in spoedsituaties) bij de inleiding voor de narcose aanwezig kan zijn. Hier kan in speciale omstandigheden van afgeweken worden. Dit wordt dan door de anesthesioloog met u besproken (als uw kind een speciaal probleem heeft met de luchtwegen, het hart, de longen of de spijsvertering kan dit een reden zijn dat u niet aanwezig mag zijn tijdens de inleiding.) De anesthesioloog houdt rekening met de voor- en de nadelen voor uw kind, maar is degene die uiteindelijk in alle gevallen bepaalt of u aanwezig kan zijn bij de inleiding.

Waaraan moet u denken als u besluit mee te gaan als uw kind onder narcose gaat?

  • Uw aanwezigheid bij uw kind tijdens de inleiding voor de narcose kan er aan bijdragen dat uw kind deze gebeurtenis beter doorstaat en kan verwerken.
  • Hoe gaat uw kind om met vreemde situaties? Sommige kinderen willen graag dat daar een ouder bij aanwezig is; andere niet.
  • Zijn er medische redenen waardoor het beter voor u is om niet bij de inleiding aanwezig te zijn zoals zwangerschap, een latexallergie, open wonden, diarree of ontstekingen zoals steenpuisten.
  • Als u er niets voor voelt of het voor het kind niet nodig vindt of als u bang bent om flauw te vallen, dan kunt u ervoor kiezen om de andere ouder mee te laten gaan of op de afdeling afscheid van uw kind te nemen.
     

Als ouders niet mee kunnen bij de inleiding is onze ervaring dat het afscheid nemen van een of beide ouders of begeleiders soms lastig is maar dat het daarna erg goed gaat. De pedagogisch medewerker of een van de verpleegkundigen begeleidt het kind daarna tot het slaapt. Onze medewerkers zijn gewend aan de omgeving en kunnen zich dus volledig op het kind richten en uitleg geven over wat er gebeurt. Daarna kunnen zij u op de hoogte brengen hoe het is gegaan.

Hoe verloopt de inleiding van de narcose
De inleiding van de anesthesie kan op twee manieren:

  • Inhalatie door een masker/kapje
  • Intraveneuze inleiding (via een infuus)


Bij een spoedoperatie zal de inleiding meestal via een infuus gaan. Dit is in verband met de veiligheid van uw kind omdat het niet ‘nuchter’ is.

Wat u tijdens inleiding met een kapje kunt verwachten
Tijdens de inleiding kunt u twee fasen in het gedrag onderscheiden:

Fase een: Tijdens dit stadium is het kind zich bewust van wat er rond hem of haar gebeurt. Het is normaal voor kinderen om tijdens de inleiding wat gespannen te zijn. Zij kunnen proberen:

  • het masker weg te duwen
  • te hoesten of kuchen
  • te schreeuwen of roepen
  • te klagen over de geur
  • snel of onregelmatig adem te halen, zeggen dat ze niet kunnen ademhalen


In dit stadium vragen wij u soms de handen van uw kind stevig vast te houden. Soms is het nodig dat ook wij uw kind vasthouden zodat het niet het kapje weg kan trekken, hierdoor zou de inleiding alleen maar langer duren.

Fase twee: In het tweede stadium van de inleiding zijn kinderen zich niet meer bewust van wat zij doen en wat er om hen heen gebeurt. Uw kind kan:

  • proberen omhoog te komen of te gaan zitten
  • onwillekeurig gaan bewegen
  • dingen zeggen die u niet begrijpt
  • glazig gaan kijken of met de ogen wegdraaien
  • slap worden

Bovenstaande kan soms vervelend zijn voor u om te zien maar uw kind merkt hier niets meer van. De anesthesioloog laat u weten wanneer het tijd voor u is om met de pedagogisch medewerkster/verpleegkundige de inleidingruimte of de operatiekamer te verlaten. Het kan zijn dat uw kind de ogen nog niet helemaal dicht heeft of nog wat beweegt maar hij/zij merkt hier zelf helemaal niets van.

Wat u tijdens de inleiding via het infuus kunt verwachten
Uw kind is zich bewust van wat er om hem of haar heen gebeurt. Het is belangrijk dat uw kind meewerkt tijdens het prikken van het infuus. Voor geplande ingrepen moet dit dus een bewuste keuze zijn. Als tevoren een pleister met verdovende zalf is geplakt, voelt uw kind het prikken nog wel maar het is minder pijnlijk. Na het prikken van het infuus wordt het vastgeplakt met een speciale pleister en steekt alleen het dopje nog uit, soms wordt er een infuussysteem op aangesloten voor extra vocht. Het inspuiten van de medicijnen gebeurt door het dopje.
Uw kind kan:

  • onduidelijk gaan praten
  • glazig gaan kijken of met de ogen wegdraaien
  • slap worden


Bovenstaande kan soms vervelend zijn voor u om te zien maar uw kind merkt hier niets meer van. De anesthesioloog laat u weten wanneer het tijd voor u is om met de pedagogisch medewerkster de inleidingruimte of de operatiekamer te verlaten. Het kan zijn dat uw kind de ogen nog niet helemaal dicht heeft hij/zij merkt hier zelf helemaal niets van.

Wat u kunt doen om uw kind tijdens de inleiding te helpen

  • U kunt doen wat u normaal thuis doet wanneer u hem of haar troost.
  • U kunt tegen uw kind praten of zingen.
  • U mag dicht bij uw kind gaan staan of uw hoofd dicht bij uw kind houden.
  • U kunt de hand(en) van uw kind vasthouden; het contact kan geruststellend zijn.
  • U kunt het haar of het gezicht van uw kind strelen.
  • Het is belangrijk om kalm te blijven en rust uit te stralen.

Belangrijke dingen die u moet onthouden

  • Als u gevraagd wordt om de ruimte te verlaten moet u dit ook doen. De artsen en verpleegkundigen moeten zich helemaal kunnen richten op de zorg van uw kind.
  • Zodra we met de inleiding beginnen, gaan we ook door. Als uw kind zich gaat verzetten, zullen we hem of haar met (zo mogelijk zachte) dwang tegenhouden.
  • U moet flexibel zijn, het kan voorkomen dat de afgesproken manier om uw kind in te leiden verandert. Als het prikken van het infuus niet lukt, kan het zijn dat er toch voor een kapje wordt gekozen. Zo kan het ook zijn, dat door veranderde medische omstandigheden tussen het preoperatieve onderzoek en de dag van de ingreep, toch voor een andere manier van inleiden wordt gekozen door de anesthesioloog. Dit wordt dan door de anesthesioloog met u besproken.
  • Als uw kind ingeleid wordt door medicijnen via het infuus kan het zijn dat deze medicijnen een beetje prikken in de arm.
  • Het kan gebeuren dat de anesthesioloog of de anesthesie assistent uw kind wat moet ondersteunen met zijn of haar ademhaling door middel van een kapje met extra zuurstof. Dit komt regelmatig voor en is normaal.
  • Uw tijdsbesef kan anders zijn dan de werkelijkheid. Wat voor uw gevoel lang kan lijken, is vaak hoogstens maar enkele minuten.
  • Na het ontwaken uit de narcose kan uw kind nog enige tijd onrustig, over zijn toeren en/of gedesoriënteerd zijn.
  • Het is niet toegestaan foto's te maken op de afdeling recovery (verkoever) i.v.m. het waarborgen van de privacy van andere patiënten en medewerkers van de afdeling.

Tot slot willen we u erop wijzen dat het een persoonlijke keuze is om al dan niet bij de inleiding van uw kind aanwezig te zijn. U moet zich niet gedwongen voelen om mee te gaan naar de inleiding als u zich daar ongemakkelijk en onrustig bij voelt. Onze pedagogisch medewerksters en verpleegkundigen kunnen uw kind goed begeleiden in het hele traject.

We hopen dat deze informatie nuttig voor u is rondom de narcose voor een operatie of onderzoek van uw kind. Mocht u nog vragen of suggesties hebben kunt u ons altijd bereiken via de polikliniek Anesthesiologie of de pedagogisch medewerksters.

Controle tijdens de operatie
Tijdens de operatie blijft de anesthesioloog en/of de anesthesiemedewerker voortdurend bij uw kind. De anesthesioloog bewaakt en bestuurt tijdens de operatie de functies van het lichaam van uw kind. De ademhaling en bloedsomloop kunnen zo nodig worden bijgestuurd en er worden medicijnen toegediend om de narcose te onderhouden.

Na de operatie
Na de operatie gaat uw kind naar de uitslaapkamer. U kunt als u dat wilt bij u kind zijn op de uitslaapkamer. U wordt geroepen zodra de medische toestand van uw kind dat toelaat. Dit is voor iedere ingreep en voor ieder kind anders. Op de uitslaapkamer liggen meer patiënten die geopereerd zijn. Op deze kamer werken gespecialiseerde verpleegkundigen die samen met de anesthesioloog steeds controleren hoe het met uw kind gaat. Zodra uw kind voldoende wakker is en de algemene conditie stabiel en veilig is, mag uw kind naar de verpleegafdeling terug.

Regels voor het nuchter zijn bij kinderen

Tijdens de telefonische oproep voor de operatie hoort u hoe laat u zich met uw kind in het ziekenhuis moet melden. Vindt de ingreep op de dag van opname plaats dan geldt voor uw kind het volgende:

1. Kinderen jonger dan 1 jaar

  • Laatste vaste voedsel: tot 5 uur vóór de meldingstijd.
  • Laatste fles melkvoeding: tot 5 uur vóór de meldingstijd.
  • Laatste borstvoeding: tot 3 uur vóór de meldingstijd.
  • Laatste heldere vocht: tot 2 uur vóór de meldingstijd.

2. Kinderen ouder dan 1 jaar

Meldingstijd voor 12.00 uur: ochtendprogramma

  • Laatste vaste voedsel: tot 5 uur voor de meldingstijd.
  • Laatste heldere vocht: tot 2 uur voor de meldingstijd (Moet uw kind zich om 9.00 uur melden, dan mag hij/zij tot 7.00 uur nog 1 glas helder vloeibaar drinken).

Meldingstijd na 12.00 uur: middagprogramma

  • Laatste vaste voedsel: licht ontbijt tot 7.30 uur op de dag van de ingreep.
  • Laatste heldere vocht: tot 2 uur voor de meldingstijd (moet uw kind zich om 13.30 uur melden, dan mag hij/zij tot 11.30.uur nog 1 glas helder vloeibaar drinken).

Helder vloeibaar = water, limonade, appelsap of thee
Geen melkproducten of thee met melk.

Licht ontbijt = 1 glas helder vloeibaar (zie hierboven), 1 beschuit of droge naturel cracker met wat jam.
Geen kaas, vleeswaren, boter of andere smeerbare producten.

Notities

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Notities