Nij Smellinghe

Het leed dat ‘prothese’ heet

Een kunstgebit is een handicap. Toch lopen er in Nederland ruim twee miljoen mensen met een gebitsprothese rond. Gelukkig kan het grootste deel van deze mensen goed met zijn of haar gebitsprothese overweg. Maar niet allemaal. Wanneer na verloop van tijd het kaakbot van de tandeloze kaak begint te slinken krijgt een aanzienlijk deel van de prothesedragers (zo’n 30%) problemen met het houvast. Gevolg: een wiebelend kunstgebit dat loskomt bij spreken, lachen en eten. Soms tot hilariteit van de omgeving maar meestal tot schaamte van de prothesedrager.


De ontwikkelingen in de kaakchirurgie en tandheelkunde staan echter niet stil. Dankzij het plaatsen van implantaten in de kaak waarop een kunstgebit kan worden vastgeklikt kan de prothesedrager weer zonder problemen spontaan in de lach schieten en genieten van een stevige maaltijd en een sappige appel. Zelfs wanneer door extreem slinken van de kaak het plaatsen van implantaten aanvankelijk niet meer mogelijk lijkt is het dankzij nieuwe operatietechnieken mogelijk geworden om het kaakbot weer te laten “groeien” zodat er weer voldoende kaak aanwezig is om implantaten te kunnen plaatsen voor het houvast van een kunstgebit.

Van een tandeloze baby kijkt niemand op. Na zes maanden verschijnen de eerste melktandjes, waarna in de loop van twaalf jaren de mond zich vult met maar liefst 28 volwassen tanden en kiezen. Rond het twintigste levensjaar worden de bouwactiviteiten in de kaak voltooid met de vorming van de laatste vier kiezen, de zgn. verstandskiezen (ver-staande kiezen of kiezen die doorbreken wanneer iemand ‘tot de jaren des verstands’ is gekomen). Hiermee komt het totale aantal volwassen tanden en kiezen op 32 te staan. Toch raakt een groot gedeelte van de mensen in de loop van het leven alle 32 tanden en kiezen weer kwijt. Vooral de huidige groep van 60-plussers is opgegroeid in een tijd met slechte voeding, gebrekkige preventie, weinig tandartsen en beperkte technische en financiële mogelijkheden. Het was geaccepteerd om bij klachten een tand of een kies zonder veel omhaal van woorden te trekken. Het idee van een kunstgebit was dan ook doodnormaal: opa had er een, vader en moeder ook. Daarbij is het in sommige streken de gewoonte geweest om vóór de trouwdag de tanden en kiezen nog op kosten van vader te laten trekken. “Trouwen met een schone mond”, heette dat. Voor de rest van het leven zou je geen last meer van je tanden en kiezen kunnen hebben én je hoefde ook geen onkosten meer te maken voor een tandheelkundige behandeling in de financieel meestal niet al te royale eerste huwelijkse jaren.

De tandeloze kaak

Kaakbot waarin geen tanden en kiezen meer staan lost langzaam op. Het lijkt erop dat een gedeelte van het kaakbot als enige functie heeft houvast te bieden aan tanden en kiezen. Wanneer deze tanden en kiezen eenmaal zijn getrokken, dan verdwijnt dit gedeelte van het kaakbot. Bij de een voltrekt dit proces zich sneller dan bij een ander. Daarnaast slinkt de onderkaak veel ernstiger dan de bovenkaak. Ongeveer vier keer zoveel. In de loop der jaren kan de kaak zo ver zijn geslonken dat alle steun voor een kunstgebit ontbreekt en vooral het ondergebit letterlijk los door de mond zwerft. Een nieuw aangemeten kunstgebit geeft slechts tijdelijk verlichting want de botafname gaat door. Voor veel mensen is het een beladen onderwerp. Zij tobben in stilte en proberen zich te redden met plakmiddelen. Zonder overdrijving kan er gesproken worden van veel verborgen leed in dit verband, soms zelfs resulterend in een sociaal isolement.

“Kunstwortels”

Gelukkig is er hoop voor de honderdduizenden mensen die problemen hebben met het houvast van het ondergebit. En wel in de vorm van tandheelkundige implantaten, ook wel “kunstwortels” genoemd. Dankzij jarenlang experimenteren en uitgebreid onderzoek heeft de implantatietechniek een forse sprong voorwaarts gemaakt. De kaakchirurgie staat met de tandheelkunde op dit moment aan het begin van een grote verandering voor tandeloze patiënten. In plaats van het traditionele kunstgebit is de zgn. overkappingsprothese op implantaten –in de volksmond ook wel “klikgebit” genoemd - voor meer en meer mensen toegankelijk. Ook de zorgverzekeraars erkennen het protheseleed van hun cliënten en vergoeden in de meeste (kunstgebit-) gevallen de toepassing van tandheelkundige implantaten.

Het “klikgebit” is een kunstgebit dat vastklikt op bijvoorbeeld twee implantaten met een drukknop of op een staafje dat is gemonteerd op twee of vier implantaten in de kaak. Het succes van deze methode is overweldigend. Er worden nog steeds simpelere en betere methoden gevonden om het implanteren te optimaliseren en het slagingspercentage te vergroten. Vandaag de dag is het succespercentage van implantaten in de onderkaak maar liefst 98%, in de bovenkaak 96%!



Operatie

Wat is een tandheelkundig implantaat en hoe gaat het in z’n werk? Het is het meest eenvoudig een implantaat voor te stellen als een schroef, gemaakt van het edelmetaal titanium. Nadat door de kaakchirurg het tandvlees opzij is geschoven wordt de titanium schroef (het implantaat) in het kaakbot geschroefd waarna het tandvlees weer wordt teruggehecht. Het implantaat steekt na de operatie juist boven het tandvlees uit en kan met de tong gevoeld worden. In bijna alle gevallen kan deze ingreep onder plaatselijk verdoving worden uitgevoerd en kan de patiënt na behandeling weer naar huis. Voor de onderkaak moet vervolgens een rustperiode van 2-3 maanden in acht worden genomen om het implantaat goed vast te laten groeien in het bot. In de bovenkaak is deze periode aanzienlijk langer, nl. 4-6 maanden. Dit komt doordat het bot in de bovenkaak veel zachter is en daardoor in het begin minder stevigheid geeft aan het implantaat. Na de rustperiode controleert de kaakchirurg of het implantaat goed is vastgegroeid in het bot en is de behandeling in het ziekenhuis afgelopen. De tandarts plaats vervolgens drukknoppen op de implantaten of monteert een hekje op de implantaten waarop het kunstgebit wordt gemaakt dat uiteindelijk vastklikt op de drukknoppen of om het hekje. In Nij Smellinghe werden in het afgelopen jaar 2004 door de kaakchirurgen vele honderden implantaten in tandeloze kaken geplaatst. Veruit de meeste in de onderkaak.



Extreem geslonken kaak

Wat kan er nog gedaan worden wanneer een kaak zo ver geslonken is dat zelfs de kortste implantaten niet meer in de kaak kunnen worden geplaatst? In de praktijk spreken we van een extreem geslonken kaak wanneer de resterende kaakhoogte minder dan 6-8mm bedraagt (ter vergelijking: een potlood is ongeveer 7mm dik). In dat geval zijn er (gelukkig) operaties mogelijk waarmee de kaak kan worden opgehoogd. Zo kan door middel van een stuk getransplanteerd bot uit het bekken (in de volksmond vaak de heup genoemd) een kaak weer worden opgehoogd. Deze operatie vindt vanzelfsprekend in narcose plaats. Wanneer het getransplanteerde bot na drie maanden is vastgegroeid en de kaak weer een voldoende hoogte heeft verkregen kunnen vervolgens alsnog implantaten worden geplaatst voor een overkappingsprothese.



Kunstmatige kaakgroei

Hoewel de verhoging van een kaak met behulp van een bottransplantaat goede en voorspelbare resultaten geeft, is een nadeel van deze operatietechniek dat er sprake is van twee verschillende operatieplaatsen en daarmee ook van twee wonden. Namelijk de wond ten gevolge van de operatie aan het bekken waar het bottransplantaat wordt weggehaald én de wond van de operatie in de mond waar met behulp van het bottransplantaat de kaak wordt opgehoogd. Hoewel de gevolgen van deze operatie over het algemeen goed zijn te doorstaan wordt door de meeste mensen de operatie aan het bekken als ingrijpender ervaren dan de operatie in de mond. Men houdt er wat langer last van. Er is dan ook gezocht naar een manier van kaakverhogen waarbij er geen gebruik meer zou hoeven te worden gemaakt van een bottransplantaat uit het bekken. Sinds kort is er een nieuwe kaakchirurgische operatietechniek ontwikkeld waarmee de kaak als het ware weer gaat ‘groeien’. De kaak maakt dan zélf het bot aan dat nodig is om voldoende kaakhoogte te bereiken voor het plaatsen van implantaten! Deze techniek wordt distractie-osteogenese (d.o.g.) genoemd. Voor het eerst in Friesland werd deze operatietechniek twee jaar geleden in Nij Smellinghe Ziekenhuis toegepast voor het verhogen van extreem geslonken onderkaken en inmiddels is er door de kaakchirurgen ruim ervaring mee opgedaan.

 

Distractie-osteogenese

De gedachte achter de techniek van distractie-osteogenese is even simpel als doeltreffend. Op handige wijze wordt gebruik gemaakt van de natuurlijke genezingsprocessen die plaats vinden na een botbreuk. Zoals bij elke weefselbeschadiging ontstaat er na een botbreuk binnen enkele dagen littekenweefsel in de breukspleet. In dit botlitteken – callus genaamd - vormt zich na verloop van tijd weer bot zodat de twee gebroken botstukken weer stevig aan elkaar vast komen te zitten.
Hoe gaat dit nu in het geval van een kaakverhoging in z’n werk? De kaakchirurg zaagt in het gebied waar de implantaten moeten komen aan de bovenzijde van de kaak een dun schijfje bot los van de rest van de kaak. Er vormt zich binnen enkele dagen na de operatie al littekenweefsel in de zaagsnede. Vanaf een week na de operatie wordt het losgezaagde botstukje heel langzaam naar boven verplaatst (distractie). Het littekenweefsel in de zaagsnede wordt zo als het ware wat uitgerekt en er vormt zich nieuw bot-littekenweefsel in de botspleet. Omdat dit omhoog verplaatsen zo langzaam en voorzichtig gebeurt (dagelijks een halve tot een hele millimeter), kan de littekenvorming van het kaakbot de snelheid van omhoogbewegen van het botblokje bijhouden. Na een dag of tien staat het losgezaagde botstukje al een halve centimeter boven de kaak. De ruimte die tussen het botblokje en de kaak is ontstaan is nu geheel opgevuld met jong bot-littekenweefsel (callus). Door het botblokje vervolgens in deze hoge stand een aantal weken te fixeren krijgt de natuur de gelegenheid het bot-littekenweefsel te verkalken en om te zetten in echt bot (osteogenese). Op deze manier ontstaat er dus weer hard kaakbot en is de benodigde kaakhoogte en botkwaliteit voor implantaten bereikt! Een kaak van bijvoorbeeld 6mm hoog kan op deze manier gemakkelijk in hoogte verdubbeld worden tot 12mm.

Het omhoogbewegen van het botblokje gebeurt met een soort miniatuur-schroef die tijdens de operatie op kaak en botblokje wordt bevestigd. In de mond steekt een klein deel van het schroefje uit waaraan gedraaid kan worden om het losgezaagde botblokje omhoog te vijzelen.
Drie maanden na het bereiken van de gewenste kaakhoogte wordt de miniatuurschroef weer verwijderd en worden de implantaten geplaatst.


Tenslotte

Tandeloosheid heeft een grote impact op het psycho-sociaal welbevinden van mensen. Tandeloze kaken kunnen ernstig slinken. Een klapperend kunstgebit, blaren op de slijmvliezen en pijn bij het kauwen zijn het gevolg en kunnen de kunstgebitdrager veel levensplezier ontnemen. Door de toepassing van tandheelkundige implantaten kan een kunstgebit worden vastgeklikt op de kaak. Een bijkomend voordeel is dat implantaten het proces van slinken van de kaak lijken te stoppen. Tijdig ingebrachte implantaten zouden het slinken van de kaak zelfs kunnen voorkomen. Het is verheugend dat bij tandartsen de belangstelling voor implantologie toeneemt. Ook extreem geslonken kaken zijn met behulp van moderne operatietechnieken weer geschikt te maken voor toepassing van implantaten. Met de introductie van de hedendaagse technieken is het uiteindelijke resultaat voorspelbaar en betrouwbaar geworden.

Kunnen implantaten alleen worden toegepast onder een kunstgebit? Nee. Implantaten worden ook toegepast om een enkele tand of kies te vervangen of een aantal tanden en kiezen naast elkaar. In dat geval wordt er een kroon of een brug op de implantaten geplaatst. Dit geeft de patiënt een ‘lichaamseigen’ gevoel. De vraag naar deze toepassing van implantaten groeit sterk ondanks dat de ziektekostenverzekeraars in deze gevallen maar weinig of niets bijdragen in de kosten.
De komende jaren zal de vraag naar implantaten voor enkeltandsvervanging sterk blijven toenemen. Immers, de generatie mensen die nu rond de 50 jaar is, kent een andere tandheelkundige geschiedenis. Preventie deed na de oorlog haar intrede, de tandarts controleerde regelmatiger, de techniek verbeterde en de noodzaak tot algehele tandeloosheid nam om die reden af. Deze groeiende groep van toekomstige senioren heeft dan ook specifieke eisen met betrekking tot gebitsbehoud en een grote groep van deze mensen wil géén kunstgebit meer. Dit is een nieuwe uitdaging voor de implantologie en kaakchirurgie. De kaakchirurgen van Nij Smellinghe lopen mee in de voorste gelederen van de ontwikkelingen in de implantologie zodat u ook in de toekomst verzekerd blijft van optimale zorg op dit gebied.


Laatste wijziging: 22 Januari 2007